in het spoor van Peter Mayle

Het moet in 2002 geweest zijn dat we voor het eerst met z’n allen – met zeven in ons busje – naar Zuid-Frankrijk reden. Omdat ik graag voorbereid ben op wat komen gaat, neusde ik urenlang in de Groene Michelin, op zoek naar dingen in de buurt van ons vakantiehuis die we absoluut gezien moesten hebben. Ik las het onvermijdelijke A Year in Provence van Peter Mayle uit 1989. Dé gids der gidsen voor Britten en andere Europeanen die het Mayle-gevoel één of twee weken per jaar zelf willen ervaren. Het boek was een meevaller. Niet alleen omwille van de gedetailleerde evocatie van de colour locale, maar ook door de Britse humor waarmee Mayle zijn nieuwe leven tussen het provençaalse patois, de zuiderse medemensen en hun cultuur beschreef. Het boek werd zo’n hit dat de man door de horden toeristen die aan zijn landgoed neerstreken geen leven meer had, daar in het mooie Ménerbes, en er weer vertrok. Om er enkele jaren later, na een omweg langs de wijngaarden van Californië, weer neer te strijken in Lourmarin. Niet eens zover uit de buurt.

Het zou uiteindelijk 14 jaar duren voor wij de Mayle-regio bezochten. Vorige week om precies te zijn, toen we een rondrit maakten langs Ménerbes over Lacoste naar Bonnieux, slechts enkele van de pittoreske, hooggelegen dorpjes in de prachtige Luberon. De middeleeuwse mens moet zich ongelooflijk onveilig hebben gevoeld dat hij zo hoog wegkroop. Zoveel moeite deed ook om daar tegen de rotswanden huizen en kerken neer te planten. De dorpjes liggen her en der verspreid in een schilderachtige streek met een rijke geschiedenis. Als je al die schoonheid ziet, snap je wat Peter heeft aangetrokken. Maar het was uiteindelijk het huis dat onweerstaanbaar was, zoals blijkt uit volgend fragment:

In the end, it had happened quickly – almost impulsively ­because of the house. We saw it one afternoon and had mentally moved in by dinner.

It was set above the country road that runs between the two mediaeval hill villages of Menerbes and Bonnieux, at the end of a dirt track through cherry trees and vines. It was a mas, or farmhouse, built from local stone which two hundred years of wind and sun had weathered to a colour somewhere between pale honey and pale grey. It had started life in the eighteenth century as one room and, in the haphazard manner of agricultural buildings, had spread to accommodate children, grandmothers, goats and farm implements until it had become an irregular three-storey house. Everything about it was solid. The spiral staircase which rose from the wipe cave to the top floor was cut from massive slabs of stone. The walls, some of them a metre thick, were built to keep out the winds of the Mistral which, they say, can blow the ears off a donkey. Attached to the back of the house was an enclosed courtyard, and beyond that a bleached white stone swimming pool. There were three wells, there were established shade trees and slim green cypresses, hedges of rosemary, a giant almond tree. In the afternoon sun, with the wooden shutters half-closed like sleepy eyelids, it was irresistible.

uit Peter Mayle, A Year in Provence (1989)

Zo’n tweede verblijf in het zuiden of aan zee lijkt het paradijs op aarde. Plaatjes van foto’s van met smaak ingerichte vakantiestulpjes in woonbladen en immo-magazines doen ook mij al eens wegdromen. Als we ooit de lotto winnen … En dan zijn er de boeken van de believers als Mayle of Carol Drinkwater. Als je Drinkwaters – ooit nog de vrouw van dierenarts James Herriot in All Creatures Great and SmallDe Olijventijd leest,  zou je zo je koffers willen pakken naar haar olijfboerderij met de Matisse-blauwe hekken, op een heuvel achter de Côte d’Azur. Maar zelfs al had ik het geld, dan nog zou ik geen eigenaar willen zijn van een huis in het zuiden. Omdat ik niet naar het buitenland wil verhuizen terwijl mijn kinderen hun leven uitbouwen in Belgenland. Ik weet ze graag in de buurt. Zodat ze kunnen binnen springen als ze daar zin in hebben, kunnen vragen of ze morgen mogen komen eten. Bovendien zijn de vakantiedagen van de werkende mens beperkt en als we met pensioen zijn, met krakende botten en schurende gewrichten, zijn we misschien blij dat we niet meer de auto in moeten voor een rit van meer dan 10 uur. Nee, laat ons dan maar elk jaar de luxe veroorloven om een mooi huis met zwembad te huren.

Het idyllische plaatje van een vakantieverblijf in eigendom strookt niet altijd/meestal niet met de realiteit. Je laat immers nogal wat achter. En dan kan je je wel troosten met de gedachte, dat het maar 10 à 12 uur rijden is. Als je als toerist in de zomer naar het zuiden trekt, zie je alleen de mooie kant – files en gebrek aan parkeerplaatsen even buiten beschouwing gelaten. In de winter is er in de Provence nauwelijks een kat. Valt er totaal niks te beleven. Ben je veroordeeld tot een maandenlange winterslaap. Blijkt de mistral veel langer en veel harder te snijden dan in de zomer. Zit je daar binnen bij je haardvuur omdat het ook in het zuiden koud is of vriest. Met vrienden en familie 1000 km bij jou vandaan. Dan speelt er in de verste verte geen goede film om te gaan zien. En als je je avonden moet vullen met de Franse televisie … . Het contrast met het zomerse buitenleven is dan vaak pijnlijk groot, het lome vakantiegevoel in de hangmat onder de notenboom ver weg.

Maar ik snap wel dat de Mayles overstag gingen. En met hen heel wat anderen. Ménerbes is een heel mooi dorp met geweldige views langs meerdere kanten. De foto bovenaan dit logje – genomen vanop het pleintje aan het Hôtel de Ville – vat de hele sfeer samen.

Maar zoals je op de foto’s hierboven ziet, kan het ook in Ménerbes bewolkt zijn en waait de mistral. Ook daar is de poort van het mooie leven regelmatig gesloten.

Ik keer even terug naar onze rondrit. Vanaf de parking in Ménerbes reden we de helling af tot op de grote weg en daarna ging het weer naar omhoog, richting Lacoste waar de ruïnes van het kasteel van Markies de Sade boven het oude dorpje uitrijzen. We reden er gewoon langs om daarna weer naar beneden te kronkelen op weg naar Bonnieux. Daar plantten we ons neer op een terrasje aan de voet van het oude centrum voor een café au lait. De oude straatjes leken ons op dat moment te steil om ze met zoon vier in de rolstoel te verkennen.

Ook vanaf de voet kun je foto’s nemen om thuis te bewaren. En om te tonen dat we echt wel in het spoor van Peter Mayle gereden hebben.

 

11 gedachtes over “in het spoor van Peter Mayle

  1. ja vaak is een vakantiehuisje niet altijd leuk. Wij hadden zo’n huisje in de Ardennen en elk weekend gingen we er heen om te ‘werken’ want de tuin moest je doen, het huis verder afbouwen enz. Tuurlijk was er ook tijd voor ontspanning en ik heb daar dan ook menig hutje gebouwd. Maar kleine kinderen worden groot en willen niet meer elk weekend of vakantie mee en daar zit je dan met je huisje. Gelukkig ben ik door de liefde blijven plakken en is het vakantiehuisje van weleer omgebouwd tot een echte woning. Een nog steeds schitterende plek waar andere mensen vaak jaloers op zijn

    Liked by 1 persoon

  2. Schitterende reportage! Zo zou ik zo graag eens naar Carcasonne in Frankrijk gaan. Ook vanwege de hoogte van de burcht maar vooral vanwege het verleden. In de 14e eeuw leefden daar de Katharen en daar lees ik graag over.
    Groetjes

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s